Leesstukje

Tekstvak: Tekstvak: 	Leesstukje

Interview met een leerling (uit een werkstuk) over de Tien Geboden (5 VWO)

1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Iedereen heeft een bepaald beeld van God, want wij zijn alleen anders en uniek, en hebben zo onze verschillende meningen. Eigenlijk maken wij zo allen al een eigen beeld van God, en dat doet iedereen. Wij hebben als je zo kijkt allemaal verschillende Goden, maar uiteindelijk geloven wij allemaal in dezelfde God en in dezelfde grondprincipes. In deze (multiculturele) samenleving heeft elke godsdienst zijn eigen God. Allen zijn zij overtuigd van hun God. Het zal mij niet verbazen, dat we spreken over dezelfde God, alleen de namen zijn anders.

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Iedereen heeft een eigen manier om God te eren of tot hem te komen. De een doet dat heel gewoontjes door de handen te vouwen en te bidden. De ander kijkt omhoog naar de hemel en spreekt tot Hem, want zij denken dat God in de hemel is. Er zijn vast mensen die het op een andere manier doen toch met een bepaald beeld voor zich, maar is dit verkeerd? Als ik tot God wil komen, dan doe ik dat op de ouderwetse manier door te bidden met gevouwen handen. Wij zijn geschapen naar Gods evenbeeld. Het interessante is dat wij toch niet weten hoe God er echt uitziet. Laten we daarom maar niet gissen. Ik zou zelf ook geen persiflage op mij zelf willen hebben.

3. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken. Ik ben het er mee eens, dat de naam van de Here niet ijdel mag gebruikt worden, maar ik heb zelf veel moeite gehad om het niet te doen. Dit kwam doordat er steeds bepaalde scheldwoorden als het ware in de “mode” waren en dat was op een gegeven moment een scheldwoord waarin het woord God ijdel gebruikt werd. Ik besefte niet wat ik eigenlijk zei als ik het woord gebruikte. Ik kwam tot de ontdekking, dat dit verkeerd was, omdat dit niet hoort. Er zijn bepaalde normen en waarden, die ik mee gekregen heb. Ik gebruik sindsdien dat woord niet meer. Ik erger me al rot als mijn naam verkeerd gespeld wordt. Laat staan als het verkeerd wordt gebruikt of misbruikt.

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen. Het is goed om eens wat minder huiswerk te hebben. Ik zie de zondag wel als een rustdag, maar ik rust niet altijd op de zondag. Laatst heb ik nog heel de zondag gewerkt, maar heb ik op zaterdag rust gehouden. Nergens in de Bijbel staat, dat je per se op zondag rust moet houden. Komt het een keer niet uit op een zondag, dan op een zaterdag of dinsdag. Een dag is een dag.

5. Eer uw vader en uw moeder. Inderdaad. Dat komt ouders toe. Helaas zie ik om mij heen dat ouders hun kinderen onheus behandelen en uitschelden. Deze leefregel staat dan stevig onder druk. Ook vind ik eren hier een verkeerd woordgebruik. Ik denk meer aan respecteer uw vader en moeder. Je ouders hebben je liefdevol opgevoed en zij bieden jou onderdak en voedsel. Je bent bij je ouders veilig (als het goed is). Eren vind ik meer voor goden.

6. Gij zult niet doodslaan. Dit gaat over het ingrijpen op iemands leven. Het is aan God om te bepalen wanneer iemand overgaat. Het is dan dus een vraag hoe Hij tegenover het rekken van levens staat. Ik vind, dat je niet iemands leven zomaar mag verkorten door iemand te vermoorden. Iets anders is euthanasie, maar ik vind niet dat, dat onder doodslaan valt. Bij doodslaan vind ik dat je echt iemand vermoord. Euthanasie vind ik heel wat anders. Als je weet dat er iemand dood gaat en diegene heeft heel veel pijn, dan mag je diegene best een handje helpen. Doodslaan hiermee wordt vermoorden bedoeld. Er is niet iemand in mijn naaste kring overleden door moord. Wel verschillende mensen zijn overleden aan ziekte, maar eerlijk gezegd vind ik dat ziekte iemand als het ware ook doodslaat totdat diegene de strijd verliest en te overlijden komt.

7. Gij zult niet echtbreken. Beter te scheiden dan in onmin en onvrede te leven. Als je heel ongelukkige bent bij je echtgenoot of je komt erachter, dat je net die ander toch leuker, liever en aardiger vind, dan kun je beter scheiden. Als je het niet doet, word je ongelofelijk ongelukkig of ga je vreemd (en dat is natuurlijk ook niet de bedoeling). Je kunt dan, denk ik, beter scheiden, want dan ben je eerlijk tegenover jezelf en je partner. Ik vind dat trouwen geen zin heeft in deze tijd, het staat voor een verbinding tussen twee mensen die zal duren totdat de dood hun scheid. Als je trouwt dan betekent dat niet dat je een stuk gelukkiger bent. Je kunt ook heel gelukkig zijn zonder getrouwd te zijn. Trouwen is iets dat van de kerk komt een soort ritueel. Stel dat je toch ongelukkig wordt, dan zit je er tegenwoordig niet meer aan vast en kan je scheiden. De scheiding brengt veel ellende met zich mee. Wie krijgt wat en als er sprake is van kinderen wie krijgt de voogdij. Een ouder is altijd de verliezer.

8. Gij zult niet stelen. Dit gaat over hebzucht en luiheid. Wees blij met wat je hebt. De ander heeft daar voor gewerkt. Door te stelen is het evenwicht er niet meer. Ooit moet dit gecompenseerd worden. Dit vind ik vanzelfsprekend, maar heb vroeger toch wel eens een snoepje opgegeten van de snoepwinkel zonder te betalen, maar dit kwam niet doordat ik dacht laat ik eens stelen. Ik was toen nog jong en ik wist niet dat je daarvoor moest betalen.

9. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste. Als is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel. Als je liegt, dan komt je leugen altijd uit en als je leugen uit komt en je liegt heel vaak, dan gaan mensen je ook niet geloven. Wanneer je (bijna) altijd de waarheid spreekt, dan respecteren mensen je en vinden mensen je aardig. Dat is natuurlijk altijd leuk. Een leugentje om bestwil mag altijd, vind ik.

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is. Een beetje jaloers zijn is niet verkeerd. Door jaloers te zijn, kun je verder komen. Wanneer je jaloers bent, dan wil je graag hetzelfde als de ander. Als je er dan zelf voor gaat werken, heb je hetzelfde als de ander. Zo kom je vooruit. Je komt er dan ook achter, dat wat de ander heeft, niet altijd beter hoeft te zijn. Volgens mij kun je dit ook onder het kopje verlangen zetten. Je moet alleen niet te jaloers worden. Jaloezie kan afgunst en ruzie geven. Wees nogmaals blij met wat je hebt. Jaloezie kan slecht aflopen stel dat je zo jaloers bent, dat je de spullen gaat stellen van je buurman, omdat je die spullen zo mooi vind. Je overtreedt hierdoor ook het achtste gebod ‘Gij zult niet stelen’. Jaloezie lijdt alleen maar tot slechte dingen.

Gereserveerd: GODSDIENSTLESSEN